Pillen en praten. Het adagium van psychiaters/artsen. Naast praten kunnen ze ook pillen adviseren, vooral bij psychische klachten met grote impact op het functioneren. Het zogenaamde ‘2P’-beleid, zou je kunnen zeggen.

Als mindfulness-based therapeut (en ex-neuroloog) zit ik aan de ‘praatkant’. Alhoewel ‘praten’ heel breed is: een relatie aangaan, er wekelijks voor iemand zijn, diepgaand luisteren, steunen, uitleg geven, helpen onderzoeken, hulp bieden bij ervaren van emoties en sensaties in het lichaam.

Maar soms is aanwezig blijven bij emoties en erover praten voor iemand gewoonweg een stap te ver. Dan zijn hersenen zo ontregeld dat er alleen maar overweldigende angst, onrust of radeloze wanhoop is. Of dat ze daar bij elke trigger of soms zo maar, telkens weer in schieten. Hierbij kunnen pillen meehelpen. Dat heb ik zelf ook ooit aan den lijve ondervonden.

Ik heb dus zelf ook pillen genomen. Maar wat een enorme aversie had ik daar eerst tegen. Ik had nooit gedacht dat pillenweerstand zo sterk kon zijn!

Als neuroloog wist ik al dat pillenweerstand bestond. Ik wilde mensen met epilepsie graag helpen, ook met pillen. Maar veel mensen hadden er argwaan tegen. Ik vroeg altijd wat de weerstand precies was, dan kon ik er misschien mee helpen. Maar menigeen kon alleen vertellen: ‘Ik wil ze gewoon niet, het voelt niet goed’.

Toen ik zelf als dokter pillen moest hebben, voelde ik ook die enorme weerstand. Ik ging er dus eens goed voor zitten om die weerstand uit te pluizen.

Wat vond ik toen aan weerstand bij mezelf? Een hele kluwen!!! Ik was…

  • …zo overtuigd van dat ik er helemaal zelf doorheen moest. Anders had ik het namelijk niet eerlijk gedaan. Was ik niet sterk genoeg. Dan had ik gespijbeld van die taak om mezelf te genezen.
  • …zo bang voor de bijwerkingen. Want daarvan zou ik vast meteen om gaan vallen- terwijl ik nog net overeind stond.
  • …zo beschaamd om het stigma te hebben van ziek te zijn, ‘iemand die pillen nodig heeft’.
  • … zo bang voor het toelaten van ‘een stof’ in mijn lichaam, die niet van mijzelf was: dat is onnatuurlijk.
  • …zo wantrouwend: of mijn behandelaar wel echt wist wat hij deed, en of hij wel echt het goede (en niet stiekem toch het slechte) met mij voor had.

Mijn verzet was enorm.

Mijn behandelaar had een slimme zet tegen dit verzet en zei:

“Collega, wat zou jij nu tegen jezelf als patiënt zeggen als jij mij was?”

Ik dacht nog geen twee seconden na en zei meteen tegen mijzelf: ‘Probeer het anders eens. Het kan je helpen. Ik wil je graag helpen’. Mijn weerstand zakte meteen nu ik ‘mezelf al pratend tegen mezelf’ vriendelijk toesprak en toestond om hulp uit te proberen en niet te blijven wantrouwen.

Ik blijk gelukkig niet de enige dokter die ervoor uit komt om zelf ook weerstand tegen pillen te hebben.

Menno Oosterhoff (psychiater) vertelt in zijn beide boeken* hoe hij zelf jarenlang het medicatie innemen voor zijn dwangstoornis tegenhield, vooral ook omdat hij het zichzelf opdroeg het helemaal zonder te moeten doen. Dit ondanks zijn kennis van de behulpzaamheid van medicatie. Toen hij het na jaren en jaren zelf toch eens uitprobeerde, bracht het hem verlichting.

Als ik eerlijk ben tegen mijzelf, dan hebben de pillen mijn leven gered. Als ik in de weerstand en het wantrouwen was gebleven, weet ik niet hoe het was afgelopen met mij.

Tegen een patiënt zei Oosterhoff een keer: “Waar heeft die medicatie het aan verdiend, dat je het troep noemt? Het wil helpen en doet dat ook. En toch noem je het niet je vriend. Ik begrijp wel dat je het vervelend vindt dat je het niet in jezelf kunt vinden, maar het zou prettiger voor je zijn als het lukt de hulp van de medicatie aan te nemen” (Uit: ‘Ik zie anders niets aan je’* )

Het is ongelofelijk moedig als je jezelf als het nodig is door de weerstand heen helpt, onderzoekt waar die uit bestaat en of de weerstand passend is. Misschien kan je jezelf op zijn minst toestaan om een tijdje medicijnen te proberen, als een deskundige het zinvol voor jou vindt.

Ondanks het belang van praten en steun is er namelijk toch ook een ‘biologisch’ verhaal bij psychische aandoeningen. Net zo biologisch als pillen voor epilepsie. Dat is het verhaal van de netwerken in de hersenen, die werken met signalen en stoffen, en die soms hoteldebotel in totale chaos zijn. Ook al was je de Boeddha of Dalai Lama zelve, je krijgt je eigen geest dan niet zelf meer tot kalmte. Medicatie kan de ergste heftigheid van soms ondraaglijke gevoelens eraf toppen, zodat je je hopelijk beter voelt en zelf wat meer bij machte raakt om weer verder te gaan.

Om aan te tonen hoe biologisch het kan zijn, vertel ik nu het indrukwekkende verhaal van hond Bommel, die dood was geweest zonder pillen.

Een vriendin van mij haalde een hond uit het asiel. Al snel gaf ze haar de naam Bommel: een afkorting van Bommelding. De veiligheidsscannende hersengebieden van Bommel stonden nogal scherp afgesteld. Ze schrok snel en blafte voortdurend bij elk geluid of beweging alsof er een bom af zou gaan. Alles leek gevaarlijk voor haar.

Bijna alle uren van de dag liep Bommel onrustig en hijgend heen en weer door huis en tuin. “Ze heeft alleen maar een ‘aan’-stand”, zei mijn vriendin. Als je Bommel aanraakte, liet ze zich slap op de grond vallen en liet dan haar urine lopen.

Mijn vriendin begreep dat Bommel vermoedelijk nare ervaringen had gehad. Ze zorgde ervoor dat het in huis rustig was en er niet zoveel prikkels voor Bommel waren van andere mensen of andere dieren. Ze zorgde ervoor dat Bommel erop kon vertrouwen dat er altijd genoeg eten en drinken was. Ze zorgde voor structuur en voorspelbaarheid. Zij zorgde voor een veilig hok in huis waar Bommel kon liggen zonder dat iemand bij haar kon komen. Ze wende Bommel langzaam aan haar aanrakingen totdat ze zich dan niet meer slap liet vallen maar op haar rug ging liggen om even te genieten van aanraking. Als Bommel op haar veilige plek lag, of rustig aangeraakt werd, kon je haar eindelijk af en toe weer in een iets rustigere toestand zien. Maar als ze los mocht lopen buiten, rende ze in hoog tempo heen en weer en had geen aandacht voor de stem van haar baas. Andere honden viel ze meteen aan. Na twee jaar van oefenen en het nemen van maatregelen van rust en structuur was er nauwelijks verbetering. Bommel leek echt niet gelukkig. Mijn vriendin dacht erover om Bommel te laten inslapen.

De dierenarts opperde dat Bommel aanvullend medicatie kon proberen. Dezelfde medicijnen als die mensen voorgeschreven krijgen als ze erg depressief of angstig zijn.

Hierna werd Bommel een totaal andere hond. Ze kon eindelijk rustig in de tuin liggen. Nieuwsgierig met haar neus omhoog als er een lekker geurtje langskwam (zie foto). Bij het uitlaten kwam ze meteen als mijn vriendin haar riep. En wat ik het meest ontroerend vond: ze begon met andere honden te spelen in plaats van ze aan te vallen. Voor Bommel en mijn vriendin, was het met pillen opgelost. Er zijn later zelfs nog twee katten in huis gekomen: ook geen enkel probleem voor Bommel!

Bommels zenuwstelsel reageerde zoals in de ‘polyvagale theorie’** is beschreven. Deze theorie is een neurologische verklaring waarom hersenen die alleen maar gericht zijn op ‘gevaar’ sowieso geen prioriteit meer kunnen leggen bij rustig rondkijken, vriendelijkheid waarderen en sociaal contact opzoeken. Op dat moment wordt namelijk de voorste tak van de 10e hersenzenuw (die Vagus heet), die mens en dier gebruiken voor sociaal contact en voor vertrouwen, uitgeschakeld. De zenuwtakken die we gebruiken voor ‘overleving’ ingeschakeld.

Vanuit deze theorie is de gedragsmatige ‘switch’ van Bommel naar het zijn van een rustige sociale hond heel goed te begrijpen. Het lukte nadat haar hersennetwerk weer door medicatie in een ‘het-sein-is-veilig’ toestand was gebracht.

Bij mensen kan je met therapievormen deze voorste Vagus-tak stimuleren weer actiever te gaan worden, maar ook soms (deels) met medicatie.

Het lastige is, dat deze uitschakeling van de ‘voorste tak’ zoals je het ook bij Bommel zag, ook leidt tot groot wantrouwen. Voor behandelaars is het dus de uitdaging heel veel compassie daarvoor te hebben en hard te werken om iemands vertrouwen te winnen. Daarom is het ook belangrijk dat je steeds dezelfde behandelaar hebt (en niet, zoals door financiële en organisatieproblemen in de gezondheidszorg, steeds weer een ander in slechts kortdurende trajecten). Er is ook een heilzaam ‘placebo-effect’ dat pillen meekrijgen, als ze je worden geadviseerd door iemand die een tijd echt met je meeleeft. Niet 2P (praten en pillen), maar 4P is mijns inziens de juiste cocktail. Praten, een Persoonlijke Persisterende behandelrelatie, en eventueel Pillen. Voorgeschreven vanuit compassie.

* Boeken van Menno Oosterhoff:

-Vals alarm- leven met een dwangstoornis. Menno Oosterhoff. Uitgeverij Lucht. 2017

-Ik zie anders niks aan je- over psychische aandoeningen en het brein. Menno Oosterhoff. Uitgeverij Lucht. 2021

** Verder lezen over polyvagaal theorie?

-De polyvagaal theorie in therapie- het ritme van regulatie. Deb Dana. Uitgeverij Mens! 2020 (oorspronkelijk 2018, W.W. Norton&Company, New York)